mermeros en pheres ii

Zij leken als twee druppels op elkaar: dezelfde
krullen, dezelfde lachebekken, snoepjes
van ogen. Toen zij hier vredig naast elkaar kwamen
te liggen, leek het wel alsof ik op hun beiden

maar één enkele moord had gepleegd, want
de ene was de ander en de andere de ene.
Zij bestonden slechts uit mij en ik uit hen:
zonde dat één liefde zovelen verkwanselt.

Het is vooral tegen de ochtend dat ik
denk: alweer een dag, maar zonder hen.
En ook tegen de avond: een hele nacht,
maar zonder hen. En denk ik aan de ene,

ik zie de krullen van de ander. En nee,
ik kan, ik kan niet zonder mij:
ik ben het die gestorven is. Ik krijs:
niet hen heb ik vermoord, maar mij.