oma winnetoe

Er is een oma in een dorp gestorven,
getikt en niet meer van zichzelf.
Wij weten niet, wij weten amper wie
de aarde nu weer in zich wil.
Die oude doden laten te veel keuze.

Wie sturen wij terug naar af?
Dat juffrouwtje om van te snoepen,
- zij die de charleston al dansen kon,
maar nog vervuld van kinderwinters was?
Die van dertig, trots op dochters,
poepchic aan een Noordzeestrand
terwijl het elders oorlog was?
Of zij die, minstens zestig al,
dolzinnig door de straten jakkerde,
verscholen in een Chevrolet,
alsof zij ergens minnaars had?

Nooit gaan zij samen in een kist,
nooit met z'n allen.

Zelfs die van tachtig moet nu weg,
van wie men onverwachts een dochter nam.
Zo stomverbaasd was zij dat zij vergat te snikken
bij al dat leven uit haar schoot,
daar hondsbrutaal, hardvochtig opgebaard.
En toen de tranen kwamen, veel te laat,
toen droogde zij ze aan haar poedel,
begon te praten, honderduit,

en hield dat bijna tien jaar vol.
Zij stond te popelen om dood te mogen,
fors scheten latend, uren in de wind.
Vindt u het goed dat wij thans die begraven?
Zo'n oma gaat er prima in.

Heimwee, zegt u, larie: heimwee.
Dat is het niet, het is alleen hoe men,
gekaatst tussen het eerste en het laatste,
tussen het laatste en het eerste,
ten slotte altijd in het net belandt.

Een oma wordt hier straks begraven.
De dorpsgrond zindert van de hitte.
Maar welke foto ter gedachtenis?
Op school, verliefd, getrouwd of oud?
Die na een kraambed? Met die blos van bloed?
Dan lijkt het wel of doodgaan blozen doet.
Die van haar allerlaatste bed?
Te stil voor wie zo woelig was.
Het laatste is te vaak altijd.
Het laatste is altijd te lang.

Geen bed met kaars, geen blos, geen kierewiete kop.
Nee, zet er dan haar Chevrolet maar op:
dat geeft die uitvaart flink wat vaart.

Of willen wij tot elke prijs
het meisje dat een musje werd,
die stijve grijze vederdos van bijna negentig,
een uitgemergelde apache
bijeengescharreld in een nachtjapon

- de ogen weifelend, vol heinde en verre,
wachtend op een eeuwig jachtveld.
Hier, waar het telkens nu is,
moeten wij verzamelen, niets dan verzamelen.
Wij moeten verzamelen om te mogen vergeten.

Er is een oma in dit dorp gestorven.
Dement en niet meer van zichzelf.
De klokken luiden, alle klokken luiden
voor wie niet eens meer tsjilpen kon.
Kom, klokken van Deerlijk en Waregem,
van Vichte, van Heestert en verder,
kom, klokken, luid nu maar.
Het is zomer en men staat op straat.
De Beverenstraat, de Hoogstraat, de Vijverputstraat,
die willen het vast allemaal horen.
Verstrek haar marmelade, minnaars, peperkoek
en laat haar neer op een of ander hoempapa
van zuster Euphrasie of Soeur Sourire.
En dan, zodra de aarde op haar ploft,
u allen die daar staat, u die bestaat,
toe, geef het haar dan maar: applaus.

Er is een oma in een dorp gestorven.
Zij was dement en niet meer van zichzelf.
Zij was van heel de wereld,
maar het meest van mij.