Prozafragmenten

Pottelberg 5, anno 1966

Fragment uit Een stenen moeder (2004) De Arbeiderspers, Amsterdam

Ik dank de leraar aardrijkskunde van het tweede jaar klassieke humaniora voor het feit dat hij mijn examencijfers verkeerd heeft opgeteld, waardoor het hem jammerlijk ontgaan is dat hij eigenlijk een herexamen van me had moeten afnemen. Ik ben nooit goed geweest in aardrijkskunde, om de simpele reden dat ik nooit geweten heb waar ik mij bevond. Zo´n afwezig jongetje was ik. Nog steeds kan ik nauwelijks kaart lezen. Altijd is er voor mij maar één weg geweest die telt. Die naar huis. En dat was het nu juist. Doordat ik vanaf september 1965 door mijn ouders tot de kostschool veroordeeld werd, was de weg naar huis voor mij onherroepelijk afgesloten.

Aanvankelijk betekende intern-zijn voor mij dat ik uitgedreven was uit wat ik als het enige onvervalste walhalla beschouwde: dat van de moederschoot. Buitenbaarmoederlijke paradijzen bestonden eenvoudigweg niet. Ik rekende het mijn ouders zeker niet als een daad van liefde aan dat ik werd geïnterneerd in een instelling, ook al ging het er daar objectief gesproken niet beroerder aan toe dan thuis, waar ik immers ook opgesloten zat in de isoleercel van al mijn angsten: gesidder voor de weliswaar niet talrijke, maar toch gedenkwaardige driftbuien van mijn vader, vrees voor het slechte schoolrapport, onthutsing bij het besef dat al mijn dierbaren ook sterfelijk waren, ongerustheid over elke mogelijke malaise in het huwelijk van mijn ouders, ijzingwekkende alteratie bij de gedachte dat ik de deadline niet zou halen die mijn vader mij, wat het uur van thuiskomst betreft, steeds placht op te leggen. (Dat ik lange tijd geloofd heb, en dat in zekere zin nog doe, dat je liefde pas verdienen kunt door keurig op tijd te zijn, overal en altijd op tijd, moet hier zijn oorsprong hebben gevonden.)

Het jaar 1966 kwam eraan en er begon, in België weliswaar met de volkseigen slakkengang, iets op te laaien wat de schijn van een subversieve vrijheidsdrang wekte. Ferre Grignard zong `Ring, Ring, I've Got to Sing', van over de oceaan kwam uit de kelen van Ike en Tina Turner `River Deep, Mountain High' aanwaaien en Simon and Garfunkel gaven zo'n ruchtbaarheid aan `The Sound of Silence' dat die overal ter wereld geneuried werd. Rudi Altig, in mijn ogen de enige Germaan die zich - toch al ruim na de Tweede Wereldoorlog - niet op rupsbanden voortbewoog, zou op zijn eigen Nürburgring wereldkampioen wielrennen worden. En onze sociaal meest bewogen picpuspater, pater X., door sommigen onder ons, vanwege zijn merites bij het vrouwvolk `de pikpater' genoemd, droeg ons op te bidden voor de droeve memorie van Jan Latos en Valeer Sclep, de twee kompels die in Limburg tijdens onlusten naar aanleiding van de sluiting der mijnen omgekomen of door gendarmes vermoord waren - dit alles zeer afhankelijk van de invalshoek.

Het was nog in de tijd dat jongens als eersten meisjes `aanraakten' en dat dit enkel bij hoge uitzondering andersom gebeurde. Het was de tijd dat ik in al mijn schuchterheid vergeefs wachtte op hoge uitzonderingen. De eerste die mij uiteindelijk `aanraakte', was godbetert een jongen, een dikkerd die wij vanwege zijn bedroevende loopvermogen en zijn van de weeromstuit imponerende omvang tot goalie van ons voetbalteam hadden gebombardeerd. Hij heette Sander. De plaats was de slaapzaal van het Damiaancollege aan de Pottelberg 5 in Kortrijk, mijn kostschool. Nu zou ik er veel voor overhebben om als een simpele toerist een paar dagen in dat gebouw te mogen doorbrengen. Ik heb daar vanwege mijn drie laatste schooljaren tenslotte ook bijzonder veel goede herinneringen aan bewaard. Maar in de eerste jaren dat ik er verbleef, ervoer ik de locatie als een hel. Dat had voornamelijk te maken met wat zich daar op een voorjaarsnacht had afgespeeld.

Woelen is de belangrijkste activiteit van wie dertien is. Het jaar duurt eindeloos en elke maand wordt het met een maand verlengd als een voetbalmatch waaraan onophoudelijk blessuretijd wordt toegevoegd. Aan het eind is er niemand die niet geblesseerd is, en is alle tijd blessuretijd. Daardoor komt het dat elke jongen het gevoel heeft dat hij in zijn leeftijd opgesloten zit en dat hij er misschien nooit in zal slagen daaruit te ontsnappen en ouder te worden, al ware het maar één enkel jaar.

Ook bestaat wie dertien is voornamelijk uit vingertoppen. Rare dromen vallen pardoes in zijn kop en vervolgens deelt die kop bevelen uit aan al zijn vingertoppen. In de slaapzaal van het Damiaancollege werd eendrachtig gewoeld. Tachtig jongens probeerden daar nacht na nacht met heel hun lichaam aanwezig te zijn in elk van hun vingertoppen. Tachtig jongens, ongeduldig op weg van moeten naar mogen, leefden permanent in blessuretijd, machteloos wachtend op het fluitsignaal van de volwassenheid. En misschien wel voor het eerst begonnen zij zichzelf aan te raken, bloedstollend ernstig, net echte volwassenen.

Sander zat één jaar hoger dan ik. Daaraan meende hij een zeker gezag te kunnen ontlenen. Er heerste die avond in de slaapzaal een sfeer van angstige saamhorigheid in het verbodene. Enkele jongens hadden uit de kelders van het pensionaat flesjes pils gejat. Bij het ontbottelen viel overal onderdrukt gegiechel te horen. Er werd steeds roekelozer gedronken. Weldra werd het ook rumoeriger.

Na een tijdje verscheen Sander bij mijn bed. Of ik sliep? Niemand sliep. Dus gaf ik maar toe dat ik dit evenmin deed. Hij schoof zijn hand onder de lakens en ging over tot een nauwgezette inspectie tussen mijn benen. Ik voelde vingertoppen, niets dan vingertoppen. Of ik alles wel had? Dat wilde hij op het toilet best eens verifiëren. Ik liet mij overhalen. Zijn penis, in vol ornaat, betekende voor mij, die nog niet aan erecties toe was, weliswaar een openbaring, maar boezemde mij ook afkeer in. Dat seks vies was, van dezelfde orde als stront, werd alleen maar bevestigd door de buitengewoon smerige wc-pot.

Ons nachtelijke isolement kwam de surveillant ter ore, min of meer Gods hoogsteigen pitbull. Vanwege een door hem frequent gebruikte stoplap noemden wij hem pater Niewaar. Eén nacht na de feiten ranselde hij mij tot bekentenissen, al deed ik nog zo mijn best om alles te loochenen. Elk detail wilde hij van mij vernemen, in het bijzonder of ik was `aangeraakt'. Pater Niewaar collectioneerde oorvijgen zoals de eerste de beste seksmaniak orgasmen. Een paar dagen later werd Sander uit de school verwijderd. In de weken die volgden, voelde ik alle ogen op mij branden. Ik mocht blijven, maar mijn schuldgevoelens waren zo heftig dat zij aan de basis zouden liggen van een monomane en fanatieke heteroseksualiteit. Het eerste wat mij evenwel overkwam, was dat ik in ons voetbalploegje van de ene op de andere dag werd gedegradeerd van middenvelder tot doelwachter, een positie waarin ik, te oordelen naar het aantal toegestane doelpunten, maar een mager figuur sloeg in vergelijking met mijn weldoorvoede voorganger.

In de oude vleugel van het Damiaancollege lagen naast het oorspronkelijke klooster van de picpussen, met de kamers van de eerwaarden, ook de leerlingenrefter, de slaapzaal met chambrettes (doordrongen van het aroma van verschaald sperma) voor de scholieren van het derde en het vierde jaar, de lerarenkamer en de keuken. Een nieuwere vleugel herbergde alle klaslokalen, alsook de studie- en de slaapzaal van de jongsten. Het allernieuwst, ten slotte, was een vleugel in de nabijheid van de leerlingenkapel. Op de eerste en de tweede etage bevonden zich daar de kamers van de oudste internen en op de begane grond een sporthal, waarin voornamelijk basket- en volleybal en andere vormen van juveniel machisme werden beoefend, maar waar ook een deel van de lessen lichamelijke opvoeding plaatsvond en waar wij -- onder de castrerende blik en de penetrante basstem van zwem- en gymleraar Guy l'Esprit in poedelnaakte rijen maar niettemin tot plechtstatige schreden gedresseerd - naar de douche moesten als naar een communiebank. Hij heeft ons leren zwemmen, Guy l'Esprit, elk van ons; zelfs een blok graniet, zelfs tien ton lood zou hij hebben kunnen leren zwemmen. Hij had maar één missie: de hele planeet te redden van een mogelijke verdrinkingsdood. Er dreigde zich, volgens zijn goed onderbouwde overtuiging, elk moment een nieuwe zondvloed te voltrekken. Maar het zelotisme waarmee hij ons het hooggeprezen levensnoodzakelijke reddersbrevet wilde aansmeren, was zo overrompelend dat ik mij op mijn wanhopigste momenten afvroeg of hij zich er niet beter op had toegelegd ons met goed gevolg te leren verzuipen, samen met die hele hondsberoerde klotewereld.

Hoewel ik geen hoge dunk van hem had, algauw moest ik toegeven dat hij kon rekenen. Aan het eind van het jaar, na optelling van mijn trimestriële examencijfers, bleek namelijk dat ik voor lichamelijke opvoeding precies de helft had gehaald. Het jaar daarop, toen ik opnieuw precies de helft haalde, wist ik dat dit geen toeval meer kon zijn. Mijn weg naar huis zou ik nooit vinden, alle aardrijkskundeleraars ten spijt, maar ik zou in de wereld al met al wel mijn hoofd boven water kunnen houden. Augustus 1966 ging ik met mijn ouders op vakantie. Wellustig gelegen in het badwater van een Ardens pension vierde ik mijn eerste erectie. En het was alsof ik nu pas, niet enkel voor de helft, maar met vlag en wimpel was geslaagd voor lichamelijke opvoeding.

Beverenstraat 21, anno 1956 (ingekorte versie)

Fragment uit Een stenen moeder (2004) De Arbeiderspers, Amsterdam

Ik was drie. Mijn moeder moest per se ergens een kind gaan kopen en dus, zo probeerde men mij te sussen, kon het wel even duren voor zij zou terugkomen. Zij stond bekend om haar delicate schoonheid en om haar fragiele zenuwen. Daarom werd ik, net zon zenuwlijder als zij, alvast preventief geaborteerd uit haar omgeving. In een zijstraat van de straat waar wij woonden, lag het huis van mijn grootouders, voor mij eigenlijk vooral dat van Liesje, mijn grootmoeder. Daar werd ik ondergebracht.
Mijn moeder bleef maar weg. Ik dacht aldoor dat ik haar nooit meer zou terugzien, tot zij ten slotte toch met een meisje thuiskwam dat stomtoevallig mijn zusje bleek te zijn. Ik vroeg mij af wie van ons beiden het duurst was geweest. Ik dacht: mijn zusje. Want naar haar ging nu alle aandacht.

Ook als baby had ik al geruime tijd bij oma Liesje verbleven. Toen had zij zich over mij ontfermd omdat mijn moeder in de Kortrijkse Sint-Sebastiaanlaan 2a in één moeite door en zonder veel onderscheid mijn geboorte en de geelzucht te boven had proberen te komen.
Op foto´s uit de tijd die hierop volgde, kan ik vandaag niet anders dan dit vaststellen: door die onnozele geboorte van me begon mijn moeder haar feeërieke, bovenmenselijke schoonheid te verliezen. Louter en alleen door geboren te worden was ik de moordenaar van het meisje in mijn moeder geworden en vervolgens had ik dat postume meisje in giftig geel geverfd, waarna ik haar geleidelijk aan had opgeblazen tot een weldoorvoede matrone.
Dat huis in Kortrijk, mijn eerste huis dus, of beter, mijn nulde huis (want het enige waaraan ik geen enkele herinnering zou bewaren), beschouw ik tot op de huidige dag als het grote niemandsland. Tijdens de twee jaar dat ik er als kleine etter mijn domicilie had, verbleef ik evenwel het vaakst acht kilometer verder, in Deerlijk, meer bepaald in de Beverenstraat 21, bij Liesje. Bij haar begon het leven dat ik mij herinner.

Kan een plek een mens echt blij maken of beeldt hij zich dat maar in? Of is dat de enige blijdschap die er bestaat: de ingebeelde? Als er tot ver buiten mijn kindertijd één oord geweest is dat ik met geluk heb geassocieerd, dan is het wel dat van de Beverenstraat in de jaren vijftig. Ik was een angstig kind en had, altijd bang voor de nacht, aanvallen van paniek bij het geringste gerucht dat mij verdacht in de oren klonk. En alles klonk mij verdacht in de oren.
Oma Liesjes huis was een nogal saai half vrijstaand bouwsel met veel jarendertigdeftigheid en dito moderniteit. De talrijke bekenden van mijn grootouders plachten het via de achterdeur te betreden. Daardoor belandden zij pardoes in de keuken, voor mij het sanctuarium met een indrukwekkend Amerikaans fornuis als hoogaltaar. Van alle gelukzalige plekken in het huis was dit de plek die ik nog het meest met gelukzaligheid associeerde. Het was het domein van de volmaakte moederlijkheid, tevens de plaats waar ik dankzij Liesjes amourettes met leverpasteien, krentenbroden, mergpijpen en kaassoufflés zelf van culinaire obsessies en allerhande vraatzuchtigheden doordrongen raakte, waardoor ik mijn orale fase ad infinitum zou continueren.

Halverwege de jaren vijftig was er een televisie in huis gekomen, een van de eerste in Deerlijk. Ongetwijfeld zat ik voor het scherm op de dag dat de actrice Grace Kelly met prins Rainier van Monaco trouwde. Maar een visuele herinnering heb ik daar eigenaardig genoeg niet aan. Wel hoor ik, nu nog, bij herhaling die ene naam, Grace Kelly, als de toverclausule voor de ontsluiting van de absolute vrouwelijke schoonheid. Die naam, zovele keren en met zoveel ovaties in de stem door elk van mijn naasten uitgesproken, die naam volstond. Daarbij naderhand beeld te moeten ontberen, voedde alleen maar het flamboyante fantasme. Dat werd overigens uitentreuren versterkt toen mijn oma mij jaren later vertelde wat mensen in Deerlijk ooit over mijn moeder hadden beweerd: dat zij als twee druppels water op Grace Kelly leek. Wat hadden zij daar in godsnaam mee bedoeld? Dat zij eens de evenknie was geweest van - min of meer - de mooiste vrouw ter wereld?

Pépé Jules, Jules Julien om precies te zijn, Juju, mijn fanatiek in nukkigheid grossierende overgrootvader, die bij mijn grootouders inwoonde en die het geringste gelach als lawaaihinder of als een persoonlijke krenking beschouwde, had soms moeite om een glimlach te onderdrukken wanneer mijn moeder in zijn buurt was. Meer nog: hij leek dan zowaar te stralen. En dit ondanks zijn eeuwige gemor, die premature rigor mortis, en het feit dat hij er elk uur van de dag aan herinnerd werd dat een etage hoger een wezen huisde, kennelijk zijn echtgenote, dat almaar riep dat zij plassen of kakken moest en dat zij honger had of dorst of pijn. Zij was ten zeerste het tegenbeeld van Grace Kelly en zou weldra, zegge en schrijve anno 1957, in de camaraderie van Oliver Hardy en Humphrey Bogart, maar helaas zonder oscar, de kraaienmars blazen. Ik herinner mij niet haar ooit gezien te hebben, mijn overgrootmoeke, maar des te meer heb ik haar gehoord. Zij zat vol kalk. Zo simpel was de ziekte van Alzheimer toen nog. Gewoon een kwestie van ´kalk´
Alles had in die tijd overigens nog een andere naam: ´Be-Bop-a-Lula´ van Gene Vincent en `Rock Around the Clock´ van Bill Haley, namen en titels die mij in ´56 en ´57 hoogstens onbewust bekend waren, werden te onzent zeer misprijzend ´van dienen raren, nieuwen dzjasmuziek´ genoemd. Het was precies alsof de mensen nog niet alle woorden veroverd hadden, of dat de taal nog niet lang genoeg bestond. Ik was zelf desperaat op zoek naar woorden. Erbij horen betekende niet: oud genoeg zijn. Wel: al genoeg woorden hebben. Volwassenheid (ook die welke ik later tussen de benen zou situeren) was louter en alleen een kwestie van woorden. De Nederlandse woordenschat was het enige geslachtsorgaan van de Lage Landen dat er werkelijk toe deed.
Volwassenheid had ook met de dood te maken. In 1956 stierf, op zesendertigjarige leeftijd, een jaar nadat hij wereldkampioen geworden was, de eerste wielrenner over wie ik ooit had horen praten, Stanneke Ockers. Maar dat was een ver soort sterven. Dichterbij, in de Beverenstraat 21, kwam er op 7 december 1957 een eind aan het lawaai op de eerste etage. Maria Celina Verschaete, mijn inmiddels compleet verkalkte overgrootmoe, deed er definitief het zwijgen toe. Ik woonde toen al opnieuw bij mijn ouders, een straat verder, maar ik weet nog hoe in de Beverenstraat de salon tot rouwkapel werd omgetoverd. En ik herinner mij pépé Juju nog. Hoe hij, althans in gezelschap, helemaal niet liet merken dat hij ooit met Maria Celina getrouwd was geweest, maar hoe hij zich nu wel verschillende uren per dag terugtrok bij zijn overleden vrouw. Eén keer in die dagen tilde mijn moeder mij op haar arm en ze nam mij mee naar de intussen dichtgespijkerde kist met het lijk van overgrootmoe. Wij bleven in de deur staan. Pépé Juju, in een stoel voor de kist, draaide zich om. Ik wist niet of het naar mij was dat hij glimlachte, of naar mijn moeder. Er werd voor het eerst iets als een kleuterwijsheid over mij vaardig: dat huizen, net als mensen, vroeg of laat verlaten werden. En dat er niets kon geschapen, gemaakt of geboren worden wat niet bestemd was voor de sloop.